Weeknote: kan onze overheid minder complex?
Ik ben al tijden gefascineerd door de vraag hoe we een minder complexe, vereenvoudigde overheid zouden kunnen krijgen. De interessantste vraag daarbij vind ik hoe het toch komt dat nagenoeg iedereen een minder complexe, vereenvoudigde overheid een goed idee vindt, maar het ons als collectief maar niet lukt om iets concreets in die richting te doen.

Toen de portefeuilleverdeling van het kabinet-Jetten bekendgemaakt werd, ging ik zoals altijd snel de lijst door. Beetje ctrl+f’en op dossiers die me interesseren. Ministers, staatssecretarissen, wie krijgt wat na het constituerend beraad. Ik zoek dan meestal naar de thema’s die dicht bij mijn eigen werk zitten — tech beleid, digitale overheid, digitale autonomie, innovatie, arbeidsbesparing, dienstverlening, uitvoering, de organisatie van de Rijksdienst. En dan stuit ik op de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid.
Ik bleef er even bij hangen. En naarmate ik de bijbehorende portefeuille verder las, groeide mijn overtuiging: dit is misschien wel de meest interessante positie in dit kabinet. Niet de meest politiek sexy, niet de meest zichtbare, maar wel de positie waar misschien wel de meest weerbarstige én meest fundamentele opgave voor de Nederlandse staat belegd is. En het is de eerste keer in de Nederlandse geschiedenis dat een dergelijke rol rond ‘slagvaardigheid’ gecreëerd is.
Een portefeuille als diagnose
Als je het lijstje van de rol en de taken leest, valt vooral de breedte op. Slagvaardige overheid, taakstelling (ambtenaars voor ‘bezuinigen’), regeldruk vermindering, open overheid, vernieuwing van de Rijksdienst en een flink aantal uitvoerende diensten. Ook is deze rol coördinerend bewindspersoon voor het Programma Werk aan Uitvoering, CIO-Rijk, informatieveiligheid en toegankelijke digitale dienstverlening.
Buiten deze lijst zelf, vind ik een centrale ambitie in het coalitieakkoord ‘Aan de slag’ veelzeggend: ‘een jaarlijkse Vereenvoudigingswet’, waarbij gestart wordt met het schrappen en vereenvoudigen van minimaal 500 regels (pagina 6) en een target per ministerie. Jetten voegde er zelf in zijn eerste persconferentie na de ministerraad aan toe dat het niet alleen om 500 regels per jaar gaat, maar om ‘veel systematischer door regelgeving heen’ werken. Hij noemde ‘uitvoering verbeteren en ‘het menselijke gezicht van de overheid versterken’.
Dit klinkt bekend en dat is precies wat mijn interesse wekte.
Het verhaal dat ieder Kabinet sinds 1980 vertelt
Nagenoeg ieder kabinet kondigt aan dat de overheid kleiner, eenvoudiger, slanker en slagvaardiger moet. De kabinetten Lubbers hadden ‘Bestek 81’ dat een kleinere overheid beoogde. De paarse kabinetten van de jaren ’90 hadden meerdere grote verzelfstandigingsoperaties (privatisering) die (toen) gezien werd als vereenvoudiging. De Kabinetten Balkenende na 2000 hadden echt complexiteitsreductie als doelstelling en richtten ACTAL op, het adviescollege toetsing administratieve lasten (heet nu ATR). Regeldrukvermindering werd een meetbaar kabinetsthema, met doelstellingen in miljarden euro’s aan administratieve lastenverlichting. Voor het eerst werd niet alleen gezegd ‘kleinere overheid’, maar ook: ‘minder regels, minder administratieve lasten voor burgers en bedrijven.’ Ook ontwikkelde Nederland een internationaal breed gebruikt ‘standaard kosten model regeldruk’. Onder Rutte 1 en 2 was er het programma ‘Compacte Rijksdienst’, waarbij meer focus kwam op niet alleen minder regeldruk voor de maatschappij, maar ook een compactere (kleinere) rijksdienst zelf. Na 2020 kwam er als reactie op de toeslagenaffaire het programma ‘Werk aan Uitvoering’. Dit stelde voor het eerst dat ‘complexiteit van de overheid’ echt het probleem is. Niet per se de kosten, maar meer de werkbaarheid van wat de overheid doet voor het leven van burgers en bedrijven.
Het tragische bij al deze doelstellingen is dat nagenoeg ieder kabinet laat bij vertrek zien dat de apparaatsuitgaven zijn gestegen, de inhuur is gegroeid en de regeldruk eerder toe- dan afnam. Jetten erkende dit in zijn eerste persconferentie zelfs. Hij zei: ‘er zijn vaker dit soort taakstellingen opgeschreven, en er is vervolgens veel te weinig mee gedaan.’ Hij noemde dat dit soort doelstellingen meestal ontaarden in de ‘kaasschaaf’: een platte bezuinigingsoperatie die niet slimmer maakt, maar simpelweg wegsnijdt zonder gedachte achter wát er nou weggesneden wordt.
Wat mij fascineert is niet dat we een Kabinet hebben dat wederom de ambitie van slagvaardigheid, complexiteitsreductie en vereenvoudiging opschrijft. Wat mij fascineert is dat er een specifieke rol voor is gecreëerd. Als er iemand verantwoordelijk voor is, dan wordt die geacht daarop te gaan rennen.
Er is wat te vereenvoudigen..
De onderliggende data zijn verontrustend. IPSE Studies — het onderzoeksinstituut dat de productiviteit van uitvoeringsorganisaties en publieke sectoren monitort — publiceerde in november 2025 een analyse waaruit blijkt dat in de meeste publieke sectoren en organisaties de productiviteit daalt, de arbeidsintensiteit toeneemt en de kwaliteit van de dienstverlening afneemt (ondanks alle beloften die innovatie en technologie meebrachten). IPSE formuleerde het zelf scherp: ‘het zorgwekkende beeld is voor een groot deel te wijten aan de politieke reflex om steeds meer geld beschikbaar te stellen in de hoop dat de prestaties dan wel verbeteren. Ze doen dat niet. Meer geld in een complex systeem pompen maakt het systeem niet eenvoudiger — het maakt het duurder (en vaak juist complexer).’
De Staat van de Uitvoering — een (hele goede) jaarlijkse publicatie die knelpunten in de uitvoeringspraktijk analyseert — schetste al in 2022 hetzelfde beeld: we hebben een hoge mate van complexiteit georganiseerd in wet- en regelgeving, in uitvoeringsprocessen, in de stapeling van beleid en de landing van die regelgeving in steeds complexere IT-systemen. Het publieke werk wordt ambtenaren steeds arbeidsintensiever terwijl de krapte op de arbeidsmarkt ook toeneemt. En de burger? Die ziet door de complexiteit haar recht niet meer.
Blijft dit ambitie voor de bühne?
Hier zit voor mij de echte fascinatie. De vraag die ik mezelf al een week elke dag stel is niet per se of deze Staatssecretaris zijn 500 regels vereenvoudigen haalt (ik zal er als dienstbaar ambtenaar voor doen wat gevraagd wordt). De echte vraag is groter en weerbarstiger: blijft dit een mooi verwoorde ambitie die het goed doet in coalitieakkoorden, in talkshows, in campagnes, of lukt het dit keer om die ambitie in daadwerkelijke verandering om te zetten?
Complexiteitsreductie is niet hetzelfde als bezuinigen. Echt vereenvoudigen is volgens mij een ontwerpvraagstuk.
Het verschil tussen krimpen (vaak gemeten in minder geld uitgeven of minder ambtenaren, dus vaak bezuinigen) en minder complex worden is volgens mij belangrijk. Een overheid kan krimpen en tegelijkertijd complexer worden, als je alleen aan de oppervlakte snijdt. Een overheid kan ook groeien (in geld) en toch slagvaardiger worden, als je de complexiteit op de juiste plekken vermindert.
Meer (slagvaardige) mensen in de uitvoering, minder in de beleidslagen die elkaar tegenwerken en verzanden in afstemming met elkaar. Minder dubbelzinnige regels die het uitvoeringsvermogen verlammen door complexiteit, meer ruimte voor de professional die het werk doet.
Het klinkt allemaal prachtig. Bijna niemand wil een complexere, minder slagvaardige, inefficiënte overheid (behalve kwaadaardige externe inlichtingendiensten). De vraag is of het lukt om vanuit deze nieuwe rol wel harde keuzes te maken om de goede kant op te gaan?
Waarom het dit keer misschien anders is
Ik ben diep van binnen een (bewust) naïeve optimist. Ik sta het mezelf niet toe om pessimistisch te zijn. Liever optimistisch en misschien ongelijk dan pessimistisch en misschien gelijk.
Het zou te naïef zijn om te zeggen dat het nu zeker gaat lukken. Ik zie echter wel een paar dingen die dit moment onderscheiden van eerdere pogingen:
- Het maatschappelijke draagvlak voor echte verandering is vermoedelijk nooit zo groot geweest. Het toeslagenschandaal, de falende uitvoering bij meerdere instanties, de groeiende kloof tussen wat de overheid belooft en wat burgers ervaren — dit alles heeft de ‘slagvaardige overheid’ van een intern bureaucratisch project omgevormd tot een politiek thema dat mensen herkennen in hun eigen leven. Iedereen kent wel iemand die vastliep in een formulier, een loket, een regel die geen ruimte liet voor gezond verstand.
- Daarnaast is de Vereenvoudigingswet als instrument nieuw. Het is geen eenmalige snoeioperatie (kaasschaaf bezuiniging), maar een wetgevend mechanisme dat structureel door regelgeving heen gaat. Als dat goed ingericht wordt — met echte tanden, echte deadlines en echte politieke consequenties als het niet lukt — dan is het potentieel duurzamer dan alles wat voorgangers probeerden.
- En dan is er nog iets dat ik belangrijk vind: de combinatie van dit thema met de CIO-functie en digitale overheidsdienstverlening in één portefeuille. Want complexiteitsreductie zonder te kijken naar hoe systemen en data de uitvoering sturen, is half werk. De overheid heeft decennia IT-systemen gebouwd die de complexiteit van beleid hebben ingebakken in code. IT-systemen dienden als bestuurlijk alibi om te verantwoorden dat beleidscomplexiteit altijd wel op te pakken zou zijn. Er was lang een soort bestuurlijk naïef geloof (vaak voortkomend uit een volstrekte techniekfobie) dat IT iedere complexiteit in wat de beleidsmensen nou weer verzonnen hadden wel weg zou kunnen organiseren. Regels vereenvoudigen zonder processen en uitvoerende IT systemen te herontwerpen is dweilen met de kraan open. Dat deze Staatssecretaris beide kanten in portefeuille heeft, is hopelijk geen toeval — en biedt in theorie een serieuze kans om het echt anders te doen.
De digitale verleiding
In mijn werk bij Digicampus — waar overheid, wetenschap, ondernemers en maatschappelijke organisaties samenwerken aan GovTech innovatie — zie ik dagelijks hoe GovTech-oplossingen worden ontwikkeld die precies de belofte dragen waar Van der Burg mee aan de slag moet: effectievere en efficiëntere overheid door slimme technologie. Die belofte is reëel. Maar de praktijk is weerbarstiger.
Digitalisering draagt in theorie een enorm potentieel voor vereenvoudiging in zich. Processen automatiseren, data slimmer inzetten, dienstverlening proactiever en sneller maken.
Een groeiende hoeveelheid onderzoek laat echter zien dat digitalisering in de overheid het omgekeerde effect vaak versterkt. Zo toonden Newman, Mintrom en O’Neill in hun invloedrijke artikel Digital Technologies, Artificial Intelligence, and Bureaucratic Transformation (Futures, 2022) aan dat technologie bureaucratie niet doet verdwijnen, maar meestal juist krachtiger maakt. Nieuwe digitale mogelijkheden creëren de onweerstaanbare verleiding om méér te monitoren, méér te controleren, méér te verantwoorden en méér te communiceren. Niet om het primaire proces slimmer te doen. Het resultaat: meer dashboard, meer rapportage, meer bedrijfsvoering, meer leemlaag. En een professional op de werkvloer die meer tijd kwijt is aan het systeem binnen de overheid dan aan de burger. Een groot politicus zei ooit ‘in gelul kan je niet wonen’. Ik hoorde laatst iemand zeggen ‘een goede governance kan je niet eten’.
Een systematische literatuurstudie van Tangi in Public Management Review bevestigt dit patroon: digitale transformatie in de publieke sector leidt structureel en in diverse landen tot toenemende complexiteit van de dienstverlening, in plaats van tot de beloofde vereenvoudiging (heerlijke paradox toch?). Technologie wordt ingezet om bestaande processen te digitaliseren en ruimte te bieden voor meer specifieke regelingen — niet om ze te herontwerpen. De systeemlogica compliceert zichzelf volgens nieuwe mogelijkheden, niet volgens de bedoeling.
Dit is precies waarom ik het zo boeiend vind dat vereenvoudiging, slagvaardigheid en digitalisering zo nadrukkelijk samen in deze Staatssecretaris’ portefeuille zitten. Digitalisering zónder een heldere opdracht tot vereenvoudiging maakt een overheid niet slagvaardiger. Het maakt haar alleen digitaal ingewikkeld.
Kritisch zijn op je eigen werk?
Er is één fundamentele paradox. Om de overheid slagvaardiger te maken, heb je een overheid nodig die zichzelf durft te veranderen. Die bereid is regels te schrappen waarvan de ontwerpers nog ergens in een ministerie werken. Die uitvoeringsorganisaties centraal stelt boven de beleidsdepartementale logica die zichzelf meestal reproduceert en lekker door compliceert. Complexiteit wordt zelden veroorzaakt door slechte bedoelingen — ze ontstaat door goede bedoelingen die elkaar in de weg zijn gaan zitten, en door systemen die deze wirwar hebben gecodificeerd.
Vereenvoudiging vraagt niet alleen om politieke wil, maar om een ander soort overheidsdenken. Een overheid die haar eigen processen ziet als ontwerpvraagstukken, waarbij de gebruiker (de maatschappij) ermee om moet kunnen gaan en van moet profiteren. Een overheid die bereid is te leren van hoe andere landen dit aanpakken (Nederland is in de game van overheidje organiseren totaal geen koploper meer, zie bijvoorbeeld de OECD eGovernment index waar NL op plaats 24 staat).
Van der Burg zei het op zijn eerste dag: “Eenvoudig, uitvoerbaar en voorspelbaar.” Dat is een mooie ambitie. De komende jaren zal blijken of het ook een opdracht wordt die de overheid zichzelf echt oplegt, of dat het, zoals te vaak, een goed klinkende zin blijft in een coalitieakkoord, waarbij we exact het tegenovergestelde gaan doen.
Disclaimer:
Ik werk als programmadirecteur bij Digicampus, een onafhankelijke kennis- en innovatie hub. Ik doe dat als ambtenaar bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze weeknote is een persoonlijke reflectie op persoonlijke titel en ook uitsluitend gebaseerd op openbare bronnen — het coalitieakkoord, parlementaire geschiedenis, persconferenties en publieke portefeuilledocumenten. Geen insider-informatie, geen interne standpunten.






